Vollen van geweven wollen stof wil zeggen dat de stof met behulp van wrijving en vocht een vervilt uiterlijk krijgt.
Het houdt in dat de vezels gaan krimpen in de lengte en de breedte. De stof wordt hier steviger, slijtvaster en sterker door. Ook is ze minder doorlaatbaar voor regen en wind. In feite krijgt de stof een vervilte laag waardoor ze ook zachter wordt.
Het vollen wordt al benoemd in de boeken van het Oude Testament. Op Egyptische hiërogliefen ziet men vollers, en de Grieken benoemen het vollen als beroep. En in Europa waren het de Romeinen die het vollen ook beoefenden.
Het vollen werd in de oudheid voornamelijk gedaan door de wol in kommen of kuilen te plaatsen, en daar vervolgens met de voeten op te stampen.
Later werden er volmolens geïntroduceerd, die in Europa rond de 10e/12e eeuw opkwamen. Met grote houten stampers, vaak aangedreven door een waterrad, werd de wol in deze volmolens gevollen.
In Schotland werd het vollen genoemd als “Waulking”, waar voornamelijk vrouwen op een ritmisch gezang de wollen stof in een kring rond lieten gaan door de handen te vollen.
Bij het vollen zijn verschillende processtappen benodigd: als eerste wil je d.m.v. vollersaarde “bentoniet klei” en water de lijm en vetresten van de wol verwijderen van het weven. Daarna wordt de wol gevollen met een mengsel van boter of vet en rotte urine om een soort zeep te creëren die de vollersaarde verwijderde en de stof liet vervilten door de combinatie van warmte, wrijving en zeep. Deze stappen werden meerdere keren herhaald.
Het beroep van een voetvoller was zwaar, daar er in erbarmelijke omstandigheden fysiek zwaar werk gedaan moest worden, voor één lap moesten meerdere vollers meerdere dagen stampen om het beoogde resultaat te krijgen.
Reactie plaatsen
Reacties