In de Middeleeuwen hadden kussens verschillende functies: om op te zitten, als hoofdkussens om op te slapen en voor gebruik in de kerk.
De kussens werden vaak gevuld met stro, wol, veren, dons of textielrestjes – afhankelijk van de status van de eigenaar.
Hoofdkussens waren meestal rechthoekig van vorm en hadden in de 15e eeuw vaak een duidelijk wit-blauw geblokt patroon.
De stof kon van fustein zijn (linnen schering en katoenen inslag), maar ook volledig van linnen.
Zitkussens waren vaak vierkant van vorm, met zachte, ronde hoeken. De kleuren waren vaak rood, blauw of groen.
Het materiaal van zitkussens was meestal wol of zijde, maar ze konden ook versierd zijn met borduurwerk of kleurrijke patronen.
Kerkkussens waren vaak rijk versierd en gemaakt van zijde, damast of brokaat geweven stof.
Over het algemeen werden zitkussens en kerkelijke kussens afgewerkt met kwastjes, banden (galon), of andere decoratieve steken. De meeste kussens vertonen een interessant vetersysteem met een koord.
Reactie plaatsen
Reacties